Xiaomi heeft sinds 2 augustus de prijzen van een reeks telefoons in China verhoogd. Zes Redmi-modellen gaan er allemaal 300 yuan op vooruit, omgerekend zo’n 39 euro. Bij de Xiaomi 17-serie loopt de verhoging op tot 500 yuan, ongeveer 65 euro, waarmee de stijging in het duurste geval rond de 13% uitkomt.
Het is de tweede verhoging dit jaar. In april ging er ook al een ronde overheen, en toen wees Redmi-president Lu Weibing al naar dezelfde oorzaak: geheugen. Volgens hem zijn de prijzen voor geheugen met identieke specificaties op jaarbasis bijna verviervoudigd, waardoor alleen al een configuratie met 12GB werkgeheugen en 512GB opslag ongeveer 1.500 yuan duurder is geworden. Dat is zo’n 194 euro aan extra inkoopkosten, in één onderdeel.
Het bewijs dat het niet aan één leverancier ligt
Er zit een detail in deze verhoging dat meer zegt dan de bedragen zelf. Van de zes Redmi-toestellen draaien er drie op een Dimensity-chip van MediaTek en drie op een Snapdragon van Qualcomm. Alle zes gingen precies 300 yuan omhoog.
Daarmee valt een verklaring af waar in de markt vaak naar wordt gewezen, namelijk dat één chipleverancier zijn tarieven verhoogt. De kosten zitten in een onderdeel dat in elk toestel zit, ongeacht wiens processor erin ligt. Dat is precies het beeld dat ook uit de cijfers van Arm en Samsung naar voren komt.
Wat dit voor Europa betekent
China is de thuismarkt van Xiaomi, met de scherpste concurrentie en de dunste marges. Dat het bedrijf daar prijzen verhoogt, is veelzeggend: het is de laatste plek waar een fabrikant dat wil doen. Wat daar niet meer op te vangen is, wordt in exportmarkten zeker doorberekend.
Verwacht alleen niet dat de telefoon die vandaag in de Nederlandse winkel ligt volgende week duurder is. Zo werkt het meestal niet. Het effect zit in de opvolgers, die met een hogere inkoopprijs aan hun leven beginnen, en Europese introducties volgen doorgaans maanden na de Chinese. De verhoging die je hier gaat zien, ligt dus in de modellen van het najaar en van volgend jaar.
Daar komt bij dat een Chinese prijs niet zomaar naar een Nederlandse prijs vertaalt. Hier gaat 21% btw over het bedrag, en gelden sinds vorig jaar Europese eisen die fabrikanten verplichten vijf jaar besturingssysteemupdates te leveren en zeven jaar onderdelen op voorraad te houden. Dat zijn vaste kosten per model, die het zwaarst drukken op goedkope toestellen omdat daar geen marge zit om ze in te verstoppen.
De onderkant van de markt voelt het het eerst
Lu Weibing zei er zelf bij dat dit de moeilijkste periode is die de smartphonebranche in bijna tien jaar heeft gezien, en dat vooral budgettelefoons de klappen krijgen. Dat is voor Nederland relevanter dan het klinkt, want Redmi is precies het merk dat hier de schappen onder de 300 euro vult.
Die waarschuwing sluit aan op wat onderzoeksbureau Omdia eerder becijferde: het geheugen in een telefoon van onder de 100 dollar kostte een fabrikant vorig jaar nog 14 dollar en inmiddels 70 dollar. Het goedkope segment loopt daarmee als eerste vast.
Wat je hier zelf mee kunt
Heb je op korte termijn een telefoon nodig in de lagere of middenklasse, dan is wachten op een prijsdaling geen realistische strategie. Kijk eerder naar de huidige generatie zolang die er nog ligt, want dat is doorgaans het model waarvan de opvolger duurder wordt.
Voor wie kan wachten is het beeld minder duidelijk. Omdia verwacht dat de geheugenprijzen zich binnen één tot twee jaar stabiliseren, terwijl Samsung zegt dat de tekorten volgend jaar juist erger worden en tot in 2028 aanhouden. Wie van beide gelijk krijgt, weet niemand, maar geen van beide scenario’s levert de komende maanden een goedkopere telefoon op.
Een refurbished middenklasser van twee jaar oud is in deze markt vaak een verstandigere keuze dan een nieuwe instapper, juist omdat er in dat instapsegment steeds minder te kiezen valt.