De telefoon van onder de honderd euro is aan het uitsterven. Onderzoeksbureau Omdia rekende voor dat het geheugen in zo’n toestel een fabrikant in het derde kwartaal van 2025 nog 14 dollar kostte, en dit kwartaal 70 dollar. Dat is 400% meer voor één onderdeel, in één jaar tijd.
Senior onderzoeksmanager Jusy Hong van Omdia zegt tegen de South China Morning Post dat het op dit moment en in de nabije toekomst onmogelijk is om nog een smartphone onder de 100 dollar te maken. Grote merken laten dat segment daarom links liggen en verschuiven naar de middenklasse. Omdia verwacht dat de gemiddelde verkoopprijs van een smartphone dit jaar uitkomt op 565 dollar.
Het geheugentekort is niet nieuw. Apple kondigde in juni al aan dat zijn producten duurder worden om dezelfde reden. Wat de instapklasse anders maakt, is dat daar geen marge zit om een prijsstijging van 56 dollar op te vangen.
Er staat een tweede rekening open
Geheugen is niet de enige kostenpost die omhoog is gegaan. Sinds 20 juni 2025 gelden er Europese regels voor elke telefoon die hier op de markt komt. Een fabrikant moet minstens vijf jaar besturingssysteemupdates leveren, gerekend vanaf het moment dat het laatste exemplaar uit de handel gaat. Belangrijke onderdelen moet hij zeven jaar lang kunnen leveren, binnen vijf tot tien werkdagen. De accu moet 800 laadcycli meegaan met minstens 80% van de oorspronkelijke capaciteit over, en op de verpakking hoort een energielabel met een reparatiescore van A tot E.
Die regels zijn goed nieuws voor jou als koper. Ze zijn ook een vaste kostenpost per model, en die kost weegt het zwaarst bij de goedkoopste toestellen. Een softwareteam dat vijf jaar updates moet blijven bouwen, kost hetzelfde of het toestel nu 89 of 899 euro kostte. Waar je die kosten bij een duurder toestel in de marge kwijt kunt, is dat bij een instapper niet zo. Voor merken die hun geld verdienden met veel volume en een dunne marge is dat een fundamenteel ander rekensommetje geworden.
En dan wil iedereen ook nog AI op het toestel
Bovenop die twee komt de derde factor: AI-functies die lokaal draaien vragen werkgeheugen, en juist daar is het tekort. Er bestaan compacte taalmodellen die verrassend weinig geheugen nodig hebben, maar die zijn vrijwel allemaal in het Engels getraind en presteren merkbaar slechter in kleinere talen. Voor een toestel dat in Nederland verkocht moet worden, is een klein Engelstalig model dus geen volwaardige oplossing. Wie hier fatsoenlijke AI-functies wil, kijkt naar een groter model, en daarmee naar meer geheugen.
Het gevolg zie je nu al terug in de winkel. Fabrikanten compenseren de hogere geheugenkosten met goedkopere schermen en camera’s. Een instapper van vandaag is voor hetzelfde geld dus minder toestel dan een instapper van vorig jaar.
De uitweg die sommigen zien
Er is een scenario waarin dit zichzelf oplost. Carl Pei, oprichter van Nothing, zei op SXSW in maart dat apps gaan verdwijnen. In zijn beeld voeren AI-agents straks de taken uit die je nu per app doet, waarvoor bedrijven hun koppelingen moeten openstellen. Hij houdt het op zeven tot tien jaar en denkt dat de telefoon als apparaat nog zeker vijf jaar blijft bestaan, maar dat het besturingssysteem er wezenlijk anders uit gaat zien.
Draai dat door en je krijgt een toestel dat zelf weinig hoeft te kunnen. Geen tientallen apps die geheugen claimen, maar één laag die met databronnen praat. Dat vraagt minder van de hardware, en het zou de goedkope telefoon terug kunnen brengen. Tegelijk gaat het pas op als die agents lokaal draaien in een taal die jij spreekt, en precies dat is nu nog het knelpunt. De vraag is welke van de twee curves als eerste de andere raakt: worden modellen snel genoeg efficiënt, of blijft geheugen langer schaars?
Of gaat alles weer naar de cloud?
De andere uitweg is oud. Zet de zware verwerking op een server en houd het toestel dom. Dat is precies wat de T-Mobile Sidekick ruim twintig jaar geleden deed: jouw contacten, agenda en foto’s stonden niet op de telefoon maar bij de dienst.
Dat ging goed tot het misging. In 2009, kort nadat Microsoft de maker had overgenomen, ging het bij een serverstoring mis en raakten gebruikers hun gegevens kwijt. Wie niets lokaal had staan, had niets meer. Dat is het risico van een dom apparaat aan een slimme dienst, en anno 2026 komt daar een vraag bij die toen nog nauwelijks speelde: wil je alles wat je doet bij een externe partij neerleggen, en wat gebeurt er als die partij de prijs verhoogt of de stekker eruit trekt?
Wat je hier nu mee moet
Voor de korte termijn is het beeld duidelijk. Zoek je nu een goedkope telefoon voor een kind of voor je ouders, dan koop je voor hetzelfde bedrag minder dan een jaar geleden, en de kans is groot dat de opvolger van dat model er niet komt.
Kijk daarom naar het energielabel dat sinds vorig jaar verplicht op de verpakking staat. De reparatiescore en de opgegeven levensduur van de accu zeggen meer over wat je aan een toestel hebt dan de processor. Let ook op hoe lang de fabrikant updates belooft, want vijf jaar is het minimum en sommige merken doen aanzienlijk meer. Een refurbished middenklasser van twee jaar oud is op dit moment vaak een betere koop dan een nieuwe instapper.
Het is bovendien geen eeuwig verhaal. Omdia verwacht dat de geheugenprijzen zich over één tot twee jaar stabiliseren, en dat er daarna ruimte ontstaat voor kleinere, lokale merken om het goedkope segment weer op te pakken. Dat is precies wat je verwacht bij een tekort: de grote partijen trekken zich terug uit de dunne marges en komen pas terug als het weer kan.


