Chipontwerper Arm boekte afgelopen kwartaal een recordomzet van 1,29 miljard dollar, omgerekend zo’n 1,12 miljard euro en 22% meer dan een jaar eerder. Toch zakte het aandeel met ongeveer 6%. De reden staat in dezelfde kwartaalcijfers: de datacenterinkomsten meer dan verdubbelden, maar de smartphonekant blijft achter.
Arm verdient aan royalty’s die chipmakers betalen wanneer ze zijn ontwerpen gebruiken. Financieel directeur Jason Child rekende eerder op 20% groei uit smartphoneroyalty’s dit jaar en gaat er nu vanuit dat het eerder tussen de 17 en 19% wordt.
Twee kanten van dezelfde ontwikkeling
In één set cijfers zie je precies wat er in de markt gebeurt. De vraag naar AI-rekenkracht laat de datacenterinkomsten door het dak gaan, en diezelfde vraag maakt geheugenchips schaars en duur. Fabrikanten van telefoons rekenen die kosten door, kopers haken af, en er worden minder toestellen verkocht. Arm profiteert dus van de ene helft van de beweging en betaalt de rekening voor de andere.
Hoe groot dat kostenprobleem is, maakte Carl Pei van Nothing onlangs duidelijk. Volgens hem is geheugen inmiddels het duurste onderdeel in een telefoon, duurder dan de processor en duurder dan het scherm, en kan het meer dan 50% van de totale hardwarekosten uitmaken. Bij de ontwikkeling van zijn eigen Phone (4a) verdubbelde de geheugenprijs tijdens het traject, om daarna nog een keer te verdubbelen. Fabrikanten kunnen bovendien niet zomaar bestellen wat ze nodig hebben, want de beschikbare voorraad wordt via quota verdeeld.
De onderkant valt weg
Aan de goedkope kant van de markt is het effect het scherpst. Onderzoeksbureau Omdia rekende voor dat het geheugen in een telefoon van onder de 100 dollar een fabrikant vorig jaar nog 14 dollar kostte en dit kwartaal 70 dollar. Volgens het bureau is het daarmee praktisch onmogelijk geworden om in dat segment nog winstgevend te produceren, en verschuiven merken naar de middenklasse.
Daar komt bij dat Europese regels sinds vorig jaar eisen dat fabrikanten vijf jaar besturingssysteemupdates leveren en zeven jaar onderdelen beschikbaar houden. Dat is goed nieuws voor de koper, maar het is ook een vaste kostenpost per model die bij een instaptoestel zwaarder weegt dan bij een duur model.
En de bovenkant loopt tegen de portemonnee
Tegelijk is er aan de andere kant van de markt weinig ruimte om de kosten simpelweg door te berekenen. Pei zei er zelf bij dat kopers niet moeten rekenen op dezelfde kortingen als voorgaande jaren, en dat prijzen dit jaar blijven stijgen. Wat er daarna gebeurt, zie je terug in de royalty’s van Arm: die groeien nog wel, maar minder hard dan verwacht.
Daarmee wordt de markt van twee kanten dichtgeknepen. Onder de 100 euro kan het niet meer uit, en boven de 800 euro volgt de consument niet onbeperkt. Wat overblijft is een middenmoot die duurder wordt, met minder modellen en langere levenscycli, omdat een fabrikant een ontwerp langer moet uitmelken om de kosten terug te verdienen.
Wat je hier zelf mee kunt
Op korte termijn is het verstandigste wat je kunt doen: langer met je huidige toestel doen. De Europese regels garanderen inmiddels jaren aan updates, dus een telefoon van drie jaar oud is minder snel afgeschreven dan vroeger. Vervangen omdat er een nieuw model is, levert nu weinig op.
Moet je toch vervangen, kijk dan serieus naar refurbished. Een middenklasser van twee jaar oud is op dit moment vaak een betere koop dan een nieuwe instapper, juist omdat er in dat instapsegment steeds minder te kiezen valt. En reken niet op grote acties: die ruimte zit er bij de fabrikanten simpelweg niet in.
Er is ook een houdbaarheidsdatum aan dit verhaal. Omdia verwacht dat de geheugenprijzen zich over één tot twee jaar stabiliseren, waarna kleinere merken het goedkope segment weer kunnen oppakken. Tot die tijd draait de markt op de logica die je nu in de cijfers van Arm terugziet.